De eerste helft van de rit zat ik voorop, de tweede helft mijn vader terwijl ik mijn lange benen balanceerde in de lucht zodat ze niet tussen de spaken kwamen en niet op de grond. Ik zat vorige week, inderdaad, samen met mijn vader op een fiets. Hoe dat zo? Dat lees je in deze blog.

Toen ik 16 was, ben ik eens met mijn vader naar een Vader-Dochter-kamp geweest. Als bondingsactiviteit moesten we samen op een tandem. De voorste was geblinddoekt terwijl de achterste aanwijzingen riep. Doodsangsten stond ik uit. Mijn vader werd melig en riep vrolijk links rechts terwijl ik me enerzijds schaamde, want OMG ik was 16, en nou ja, eigenlijk was dat ook het ergste. Achteraf was het best leuk, samen op een tandem. En de aanwijzingen die hij riep, waren ook best nuttig. Natuurlijk haalde hij dat verhaal aan toen we bij station Veenendaal-West stonden en we samen keken naar een fiets. Die van hem.

“Weet je nog, toen we samen op kamp waren?”
“De tandem, ja.”
“Je schaamde je zo erg voor je pa.”
“Ja.”

Ik was die dag voor mijn werk in Den Haag geweest en mijn vader in Rotterdam. We hadden afgesproken in Utrecht om samen de trein te nemen. “Ik ben wel op de fiets”, had papa in de trein gezegd. “Ach,” zei ik toen, “boeie!” Dat dacht ik niet meer toen we naast die fiets stonden. “Kom op”, zei ik, “we springen gewoon die fiets op en rijden ‘em naar huis. Zo erg kan ’t niet zijn.” Ik ging wel eerst fietsen. Papa achterop.

Meteen toen ik opstapte en begon te trappen voelde ik het al. Toen papa een eindje achter de fiets rende en een paar seconden later achterop sprong, werd het niet minder erg. Mijn vader heeft een zadel die meebeweegt als je trapt. Hij noemt het zelf ergonomisch, maar dat is het niet. Het is belachelijk, dat is het. Je heupen bewegen mee terwijl je benen eerst links dan rechts de trappers rondduwen. Je moet verdorie je buikspieren gebruiken om dat gewieg tegen te gaan. “Helpt het als ik anders je heupen vasthou?”, vroeg mijn vader. “Probeer eens?” vroeg ik. Het hielp inderdaad een beetje. Een paar straten verder realiseerde ik mij hoe dom dit eruit moest zien. Een jonge meid met haar pa van 60 op een fiets terwijl hij haar heupen vasthoudt en er ook nog twee grote laptoptassen ergens op de fiets bungelen. Een aan het stuur en een in de rechterfietstas. Alleen een goed Caribisch muziekje miste en we konden zo ‘da club’ in fietsen. Maar een seconde later dacht ik: “Ach, het is ook wel aandoenlijk.” Op de fiets samen met mijn pa.

Toen we eenmaal bij de berg aankwamen, legde papa me uit dat hij 24 versnellingen had en hoe ik die moest gebruiken. Vanaf station Veenendaal-West naar het gehucht waar mijn ouders wonen, is ongeveer 6 kilometer met precies op de helft de Utrechtse Heuvelrug. Die moet je over. We reden vlak voor de berg ongeveer op versnelling 14. “Nou, als je straks omhoog gaat”, begon mijn vader, “dan schakel je eerst terug met links naar de 1. En dan rechts schakel je zo ver terug dat je lekker trappen kan.” Ik pielde wat aan de linkerversnelling. Ik viel bijna voorover toen hij versprong. “Ja, en blijven trappen”, hoorde ik vanachter. “Ga voor de minste weerstand!!” Inmiddels trapte ik zo licht dat mijn benen 20 omwentelingen per seconden maakten op de trappers. We kwamen alleen nauwelijks vooruit. “Doorzetten!”, riep papa. Ik dacht “Ja, daahaag!” en stapte af. “Wat doe je nou?” vroeg mijn vader stomverbaasd. “Het ging zo lekker!”

Ik keek hem aan terwijl ik terugdacht aan de tandem. Toen luisterde ik braaf naar wat hij te zeggen had. Tien jaar ouder en ik luister niet meer naar de aanwijzingen van mijn vader achterop. Sorry hoor, hij is lief, maar trappen op zijn manier gaat voor geen meter. Ik stak mijn arm door de zijne en hield met mijn andere hand de fiets vast. “Kom pap”, zei ik, “we lopen lekker naar boven.” En terwijl we door het donker naar boven liepen en we af en toe fel verlicht werden door een auto die van de andere kant kwam, dacht ik aan de talloze keren dat we samen in het donker door het bos over deze berg hadden gefietst. Als ik gewerkt had bij de Burger King en hij me op kwam halen. Of als ik tot laat college had en hij me van het station kwam halen. Toen vond ik het zo debiel dat ik niet alleen naar huis mocht fietsen. Nu was ik eigenlijk best blij dat hij me nooit alleen naar boven had laten fietsen. Eenmaal boven op de berg zei hij “Zal ik nu fietsen?” “Graag”, zei ik en sprong achterop.

303187_10150380142501098_1751813447_n


Vriendin D. klaagt altijd dat het zo lang duurt voordat er weer een blog geschreven is. Bij deze.

In de zomervakantie zijn we naar Rhenen gefietst om daar een ijsje te halen. Toen hebben we nog een heel stuk gefietst op zoek naar een leuk cafeetje om daar wat te gaan drinken, maar vriendin D. keurde alles af. Ik denk dat dat was omdat zij moest trakteren. Op een gegeven moment hadden we zo lang gefietst dat we geen zin meer hadden en we hadden kontpijn. Dus toen werden we melig.

ijsje eten met deb