‘I used to think that I could never lose anyone if I photographed them enough. In fact, my pictures show me how much I have lost.’
– Nan Goldin

Ergens in januari vroegen mijn ouders of ik naar Suriname wilde na mijn examen. Natuurlijk wilde ik dat en vanaf dat moment ben ik mijn vakantie gaan plannen. Maike zei dat ik heel veel foto’s moest maken. Ik had bedacht dat ik ruim de hele maand dat ik hier was elke dag een plog zou maken, net als 10e. Ik zou elke dag van mijn fantastische avontuur vastleggen zodat ik dat toffe gevoel dat ik altijd heb wanneer ik in Suriname ben, altijd ging bewaren.

Toen ik hier eindelijk alleen was, lukte me dat niet. Ik moest zo wennen om hier weer te zijn. Hier waar alles zo bekend is, maar toch ook zo vreemd. Waar mensen mij herkennen als ik door de stad loop of ergens kom, maar zelf bijna geen mensen meer ken. Maar ook waar ik eindelijk alle dingen weer kan doen die ik vier jaar lang niet heb kunnen doen en waar ik alles weer kan eten wat ik vier jaar lang niet heb kunnen eten.

In die eerste week maakte ik wel foto’s, maar ik vond het lastig. Aan de ene kant zijn foto’s een geweldige manier om herinneringen te bewaren, maar aan de andere kant lukte het mij niet. Het lukte mij niet om de sfeer, de mooiheid en het blijde gevoel dat ik op dat moment heb, op de foto te zetten. Als ik door Suriname loop of de stad uit ga, dan vind ik Suriname zo mooi. Zo verschrikkelijk mooi. Op een avond ben ik een ijsje gaan eten in de stad aan de Waterkant. We hadden uitzicht op de Bosje brug waar de auto’s overheen reden, de lichtjes die bij Fort Zeelandia in de bomen hingen, de mensen die rondliepen en het terrasje dat vol zat met mensen. Ik word daar heel blij van, maar dat zie je allemaal niet terug op mijn foto’s.

De een-na-laatste dag in #suriname werd ik wakker in mijn hangmat met deze #zonsopgang #VSCOcam

Een foto die is geplaatst door Renske Veltman (@itsrenske) op

Een andere reden waarom ik het lastig vind, is omdat Suriname anders is dan Nederland. Suriname ziet er anders uit. Minder luxe. Meer chaos. Zelf moet ik daar altijd even een dag aan wennen als ik in Suriname ben. Ik moet dan even mijn first world mind uitzetten en dan is het weer normaal. Daarna vind ik Suriname zo mooi. Juist omdat het minder luxe is. Omdat er meer chaos is. Het is gewoon Suriname. Ik wil alleen dat andere mensen het ook mooi vinden. Van iets dat je zelf heel gaaf of mooi vindt, wil je graag dat andere mensen dat ook vinden. Je wilt ermee pronken en er een beetje over opscheppen. Dat wil ik ook over Suriname. Ik wil dat andere mensen mijn land ook zo mooi vinden. Het is alleen niet het uiterlijk. Het is ook de sfeer die er is. Die sfeer kan ik niet overbrengen, waardoor het uiterlijk overblijft. En ik ben bang dat anderen dat helemaal niet zo mooi vinden zoals ik dat vind.

Misschien komt het ook wel omdat ik geen fotograaf ben. Als ik besluit om van een dag een plog te gaan maken, ben ik constant bezig met foto’s maken en mooie composities te zoeken. En dan is de foto soms niet goed belicht. Terwijl ik eigenlijk meer geniet als ik gewoon ga genieten van die dag. Als ik niet druk bezig ben met foto’s maken. Als ik gewoon één mooi moment zie, daar snel een foto van maak en dat op instagram zet. Van mijn reis in Suriname heb ik maar een paar foto’s. Van de vijf weken dat ik hier ben, heb ik de meeste toffe, mooie en blije momenten niet gefotografeerd. Maar ik zou ook niet zo goed weten hoe ik zoiets dieps moet bewaren. Niet op een foto en soms ook niet zo goed in mezelf.


stroomversnelling

“Ik zoek het juist op”, zei ze. “Dan doe ik de ramen dicht en zijn muziek op, en dan mis ik hem gewoon erg. Dat vind ik soms fijn.”

Mijn vriendin zat op de ligstoel naast me bij mij in de tuin. Het regende maar we zaten onder het balkon van de bovenburen en werden niet nat. Ik lag in de hangmat. Tussen ons in stond de buitenkaars die ik, toen Edgar, de liefde van mijn leven en ik nog in een kleine studio woonden, had gekocht en die toen het hele huis bijna in lichterlaaie had gezet. Ik had hem zolang bewaard en hij gaf net dat dramatische tintje dat we nodig hadden aan deze avond.

De hangmat, de kaars, de warme kop thee bij het warme zwoele regenweer. Het maakte dat ik het miste. En dat doe ik niet zo vaak meer. Dat mag ik niet zo vaak meer van mezelf. Vriendin M begon er zelf over. “Mis je het nou weleens?” “Mwah”, zei ik toen.

We hadden net de maizenakoekjes op die ik alleen met haar eet. Ten eerste vindt zij ze als een van de weinige van de mensen die ik ken lekker, maar belangrijker nog: zij snapt dat. Zij is namelijk net zo Nederlands als ik Surinaams ben en net zo Surinaams als ik Nederlands ben.

Dus vroeg ze me of ik het miste. Of ik Suriname nog miste.

“Ik denk daar gewoon niet zo vaak meer over na.”
“Maar als je er nu over denkt?”

Ik was even stil. Want natuurlijk mis ik het. Natuurlijk is dat nooit klaar. Suriname missen is de rode draad die als de Surinamerivier door mijn wereld meandert. Het is er altijd en soms denk ik dat het gewoon oké gaat: voorspelbaar vooruit, tot opeens het water zakt en een stroomversnelling onder de oppervlakte tevoorschijn komt. Dan is het missen er weer, raast het over de rotsen en sleept het mij mee. Daarom denk ik er liever niet zo vaak aan en stop ik het liever weg om het te vergeten tot de rivier niet meer raast.

Dat vertelde ik allemaal terwijl ik met mijn voet tegen de muur de hangmat kleine zetjes gaf. Ik nam een slok thee en keek vriendin M aan. “Dat is vast niet heel gezond gedrag?” vroeg ik. (Inside information: zij heeft psychologie gestudeerd.)

Ze haalde haar schouders op. “Het is gewoon hoe je ermee om gaat. Soms kan het heel fijn zijn om iets of iemand te missen.” Ze vertelde over haar Surinaamse vader die overleed toen zij zestien was. “Ik vind het juist fijn om hem te missen. Dan doe ik de ramen dicht en zijn muziek op, en dan mis ik hem gewoon erg. Dan is het net of hij weer even dichtbij is. Dat vind ik fijn.”

“Misschien kan jij gewoon beter missen”, zei ik. “Ik kan dat niet. Bij mij is het te erg. Ik verdrink in het missen.”

“Maar misschien”, zei zij toen, “is het omdat je terug kan. Ik krijg mijn vader nooit meer terug. Hij is er niet meer. Dus missen is bij mij niet altijd het verlies voelen, maar ook weer wat van hem voelen. Het is net als met winkelen. Als ik geen geld heb, vind ik het jammer dat ik dat superleuke shirtje niet kan kopen, maar ja, wat doe je eraan. Als ik wél geld heb, aaah, dan móet ik het hebben. Want het kan. Maar dan doe ik het niet, want het is niet verstandig, etc, etc, maar, aargh, dan vind ik het nog veel jammer-der.”

Ik begreep het. Zij sprak mijn taal. ’s Avonds pakte ik een van mijn favoriete boeken uit de kast. ‘Misschien wisten zij alles’ van Toon Tellegen. Ik las mijn favoriete verhaal voor de duizendste keer en ik besloot om Suriname nooit te vergeten, maar altijd te missen. Hij gaat zo:

Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
“Gezellig”, zei de eekhoorn.
“Maar daar kom ik niet voor”, zei de mier.
“Maar je hebt toch wel zin in wat stroop?”
“Nou ja… een klein beetje dan.”
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij gekomen was.
“We moeten elkaar een tijdje niet zien”, zei hij.
“Waarom niet?” vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist heel gezellig als de mier zomaar langskwam. Hij had zijn mond vol pap en keek de mier met grote ogen aan.
“Om erachter te komen of we elkaar zullen missen”, zei de mier.
“Missen?”
“Missen. Je weet toch wel wat dat is?”
“Nee”, zei de eekhoorn.
“Missen is iets wat je voelt als iets er niet is.”
“Wat voel je dan?”
“Ja, daar gaat het nou om.”
“Dan zullen we elkaar dus missen”, zei de eekhoorn verdrietig.
“Nee,” zei de mier, “want we kunnen elkaar ook vergeten.”
“Vergeten! Jou?!” riep de eekhoorn.
“Nou”, zei de mier. “Schreeuw maar niet zo hard.”
De eekhoorn legde zijn hoofd in zijn handen.
“Ik zal jouw nooit vergeten”, zei hij zacht.