stroomversnelling

“Ik zoek het juist op”, zei ze. “Dan doe ik de ramen dicht en zijn muziek op, en dan mis ik hem gewoon erg. Dat vind ik soms fijn.”

Mijn vriendin zat op de ligstoel naast me bij mij in de tuin. Het regende maar we zaten onder het balkon van de bovenburen en werden niet nat. Ik lag in de hangmat. Tussen ons in stond de buitenkaars die ik, toen Edgar, de liefde van mijn leven en ik nog in een kleine studio woonden, had gekocht en die toen het hele huis bijna in lichterlaaie had gezet. Ik had hem zolang bewaard en hij gaf net dat dramatische tintje dat we nodig hadden aan deze avond.

De hangmat, de kaars, de warme kop thee bij het warme zwoele regenweer. Het maakte dat ik het miste. En dat doe ik niet zo vaak meer. Dat mag ik niet zo vaak meer van mezelf. Vriendin M begon er zelf over. “Mis je het nou weleens?” “Mwah”, zei ik toen.

We hadden net de maizenakoekjes op die ik alleen met haar eet. Ten eerste vindt zij ze als een van de weinige van de mensen die ik ken lekker, maar belangrijker nog: zij snapt dat. Zij is namelijk net zo Nederlands als ik Surinaams ben en net zo Surinaams als ik Nederlands ben.

Dus vroeg ze me of ik het miste. Of ik Suriname nog miste.

“Ik denk daar gewoon niet zo vaak meer over na.”
“Maar als je er nu over denkt?”

Ik was even stil. Want natuurlijk mis ik het. Natuurlijk is dat nooit klaar. Suriname missen is de rode draad die als de Surinamerivier door mijn wereld meandert. Het is er altijd en soms denk ik dat het gewoon oké gaat: voorspelbaar vooruit, tot opeens het water zakt en een stroomversnelling onder de oppervlakte tevoorschijn komt. Dan is het missen er weer, raast het over de rotsen en sleept het mij mee. Daarom denk ik er liever niet zo vaak aan en stop ik het liever weg om het te vergeten tot de rivier niet meer raast.

Dat vertelde ik allemaal terwijl ik met mijn voet tegen de muur de hangmat kleine zetjes gaf. Ik nam een slok thee en keek vriendin M aan. “Dat is vast niet heel gezond gedrag?” vroeg ik. (Inside information: zij heeft psychologie gestudeerd.)

Ze haalde haar schouders op. “Het is gewoon hoe je ermee om gaat. Soms kan het heel fijn zijn om iets of iemand te missen.” Ze vertelde over haar Surinaamse vader die overleed toen zij zestien was. “Ik vind het juist fijn om hem te missen. Dan doe ik de ramen dicht en zijn muziek op, en dan mis ik hem gewoon erg. Dan is het net of hij weer even dichtbij is. Dat vind ik fijn.”

“Misschien kan jij gewoon beter missen”, zei ik. “Ik kan dat niet. Bij mij is het te erg. Ik verdrink in het missen.”

“Maar misschien”, zei zij toen, “is het omdat je terug kan. Ik krijg mijn vader nooit meer terug. Hij is er niet meer. Dus missen is bij mij niet altijd het verlies voelen, maar ook weer wat van hem voelen. Het is net als met winkelen. Als ik geen geld heb, vind ik het jammer dat ik dat superleuke shirtje niet kan kopen, maar ja, wat doe je eraan. Als ik wél geld heb, aaah, dan móet ik het hebben. Want het kan. Maar dan doe ik het niet, want het is niet verstandig, etc, etc, maar, aargh, dan vind ik het nog veel jammer-der.”

Ik begreep het. Zij sprak mijn taal. ’s Avonds pakte ik een van mijn favoriete boeken uit de kast. ‘Misschien wisten zij alles’ van Toon Tellegen. Ik las mijn favoriete verhaal voor de duizendste keer en ik besloot om Suriname nooit te vergeten, maar altijd te missen. Hij gaat zo:

Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
“Gezellig”, zei de eekhoorn.
“Maar daar kom ik niet voor”, zei de mier.
“Maar je hebt toch wel zin in wat stroop?”
“Nou ja… een klein beetje dan.”
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij gekomen was.
“We moeten elkaar een tijdje niet zien”, zei hij.
“Waarom niet?” vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist heel gezellig als de mier zomaar langskwam. Hij had zijn mond vol pap en keek de mier met grote ogen aan.
“Om erachter te komen of we elkaar zullen missen”, zei de mier.
“Missen?”
“Missen. Je weet toch wel wat dat is?”
“Nee”, zei de eekhoorn.
“Missen is iets wat je voelt als iets er niet is.”
“Wat voel je dan?”
“Ja, daar gaat het nou om.”
“Dan zullen we elkaar dus missen”, zei de eekhoorn verdrietig.
“Nee,” zei de mier, “want we kunnen elkaar ook vergeten.”
“Vergeten! Jou?!” riep de eekhoorn.
“Nou”, zei de mier. “Schreeuw maar niet zo hard.”
De eekhoorn legde zijn hoofd in zijn handen.
“Ik zal jouw nooit vergeten”, zei hij zacht.